Recensie: Grand Hotel Europa. De klaagzang van Pfeijffer.

In April, ruim een maand nadat ik voor het eerst Grand Hotel Europa had opengeslagen, besloot ik het voor gezien te houden. Ik had het cadeau gekregen, en wilde het aanvankelijk ook graag lezen. Het had goede recensies gehad, veel media-aandacht, en was de gedoodverfde winnaar van de Libris Literatuurprijs. Maar al snel was het enige plezier dat ik eraan beleefde het voorlezen van de vele volzinnen waarin Pfeijffer ofwel probeerde te laten zien hoe intelligent hij zichzelf vond, ofwel hoe platvloers hij kon schrijven over vrouwen en seks. Dat ik toch terugkwam bij dit boek kwam niet vanuit een geloof dat het beter zou worden – ik was al over de helft, dat vertrouwen had ik allang verloren – maar uit de wens om te zien of het überhaupt nog ergens heen zou gaan, en om in de tussentijd verslag te doen van mijn zelfopgelegde martelgang op Twitter. En nu, beste lezer, zijn we er doorheen. En ik leef nog. Maar dat is het dan ook wel zo’n beetje.

Grand Hotel Europa volgt in twee verhaallijnen – een in het heden en een in het verleden – het personage Ilja Leonard Pfeijffer, terwijl hij sloffend door Europa of het Grand Hotel Europa, nadenkt over de ondergang van het Avondland. De eerste verhaallijn fungeert hier zowel als meta-tekstuele omschrijving van het schrijfproces als een levende metafoor voor Europa, de tweede verhaallijn richt zich vooral op Ilja’s mislukte relatie met kunsthistorica Clio. In de subplots komen maatschappelijke problemen aan de orde, vooral met betrekking op toerisme: het verval van erfgoed, verschillende soorten toeristen en hun tekortkomingen, klimaatverandering, extremisme in de politiek, de vluchtelingencrisis. Dit laatste probleem wordt gepersonifieerd in het personage Abdul; hij wordt gepresenteerd als de universele vluchteling, gelinkt aan de Trojaanse held Aeneas. Het is meer generiek dan universeel, en zo ook de conclusie: literatuur is dat wat “hen” met “ons” moet verbinden.

Het meest lachwekkende subplot – niet omdat het grappig geschreven is, maar omdat Pfeijffer de plank volledig misslaat – is die over de Amerikaanse Memphis. Pfeijffer probeert hierin een omkering te maken van een #MeToo-affaire: een minderjarig meisje verleidt en verkracht de oudere schrijver, die vervolgens vreest voor zijn reputatie als de politie op de stoep staat (spoiler: de politie komt voor iets anders). Het laat zien dat Pfeijffer weinig begrijpt van #MeToo, wat niet draait om individuele gevallen van seksueel misbruik, maar het aan de kaak stellen van structureel seksueel misbruik, binnen een cultuur waarin daders zich in machtsposities bevinden en slachtoffers effectief het zwijgen wordt opgelegd.

Ik heb weinig behoefte verder aan deze thema’s en Pfeijffer’s essayistische uiteenzettingen veel tijd te besteden. De ideeën die hij oppert zijn weinig origineel, vaak verouderd en ook eenzijdig. Europa, ooit het roemrijke middelpunt van de wereld, zou onder de voet worden gelopen door hordes barbaren, in de vorm van vernielzuchtige en respectloze toeristen uit Azië en Amerika, of in de vorm van koopgrage rijke Arabieren. Pfeijffer gebruikt zijn personages – een groot woord voor de kartonnen karikaturen met een naam die hij opvoert – om met zichzelf in gesprek te gaan over de problemen, maar blijft hierbij hangen in zijn eigen perspectief. Wie aan het woord komen, zijn zij die altijd aan het woord komen: witte, vooral hoogopgeleide en rijke mensen filosoferen over kunst, cultuur en toerisme; het enige Afrikaanse personage mag zijn “universele” vluchtelingenverhaal vertellen. Joost de Vries schreef het al in de Groene: “[i]n thematiek sjokt Grand Hotel Europa ver achter de opiniebladen aan.” De roman leest dan ook als een babyboomer’s Facebook-rant over dat zijn vakantie niet leuk was omdat er te veel (andere) toeristen waren. Is de klaagzang op social media nu tot hoge kunst verheven? Ik denk eerlijk gezegd van niet.

Ik vraag me af hoe het mogelijk is dat mijn leeservaring zo ver verwijderd kan zijn van die van de meeste recensenten. In de Volkskrant kreeg de roman dan maar drie sterren (Persis Bekkering zette het weg als “een gezellig boek” – oef), en in de Groene werd Pfeijffer op een uiterst vileine wijze gefileerd door Joost de Vries, maar over het algemeen waren de recensies meer dan lovend. In het NRC noemde Thomas de Veen het “de roman van het jaar” (5 bollen); in Trouw noemde Rob Schouten het “een echt meesterwerk, briljant en rijk”; in Elsevier kreeg het vier sterren. En ook bij “gewone” lezers zijn lovende recensies veruit in de meerderheid. Op Bol.com heeft het boek een gemiddelde van een 4,5 uit 5 (158 reviews); op de lezersplatformen Hebban en Goodreads krijgt het boek respectievelijk een 4,28 uit 5 (806 reviews) en een 4,2 uit 5 (bijna 2000 ratings). De steekwoorden van de lezersreacties zijn klinkend: “briljant”, “geestig”, “hilarisch”, “prachtige volzinnen”, “fraaie beeldspraken”. Met uitzondering van de enkeling die durft kritiek te uiten – “te dik”, “te wollig”, “moeilijk inkomen”, “seksistisch” – zijn de recensies dus lovend. Ligt het dan aan mij?

Aan Pfeijffer’s intertekstualiteit kan het niet gelegen hebben: u mag er mijn exemplaar op naslaan, mijn kantlijn staat vol van aantekeningen die laten zien dat ik de verwijzingen begrepen heb. Niet dat je zo belezen hoef te zijn om in Pfeijffer’s pastiche Die Zauberberg van Thomas Mann, Nabokov’s Lolita, of Dan Brown’s DaVinci Code te herkennen. Bovendien is Pfeijffer niet te beroerd om de lezer aan de hand te nemen en met de neus op zijn ‘briljante’ verwijzingen te drukken. En vergeet ook zijn eigen romans niet. Pfeijffer is namelijk ook niet te bescheiden daarvoor reclame te maken voor zijn andere boeken, waarvan hij constant de naam laat vallen. Wist u bijvoorbeeld dat hij La Superba heeft geschreven? En Peachez, een romance? En La Superba? EN LA SUPERBA?

Ik ga hier niet verklaren dat ik – in tegenstelling tot de betere literair recensenten van Nederland, alsmede het niet geringe leespubliek – het als enige wél, of in ieder geval beter, begrepen heb. In tegenstelling tot de auteur ben ik niet zo overtuigd van mijn eigen superieure intellect, zelfs niet op ironische wijze. Want daar zit volgens mij het probleem: dit boek gaat, meer nog dan over het verval van Europa, over de grens tussen authentiek en ironisch, en in hoeverre dat uitmaakt. Pfeijffer heeft echter zelf niet in de hand waar en wanneer die ironie overslaat in authenticiteit. Dit blijkt ook uit Pfeijffer zelf, die steeds meer op zijn personage gaat lijken. Zo deed hij in mei naar aanleiding van de niet-door-Pfeijffer-gewonnen Libris Literatuurprijs zijn beklag in een column die ook van de pen van zijn personage had kunnen komen. Het lijkt erop dat Pfeijffer gevallen is voor een trucje dat door menig self help goeroe wordt ingezet: als je iets maar vaak genoeg hardop tegen jezelf zegt, ga je het vanzelf geloven.

Pfeijffer handelt in Grand Hotel Europa in stereotypen, karikaturen, en overdrijvingen, en dekt zich in door eventuele kritiek alvast in zijn roman te verwerken. Meerdere malen vult hij op die manier de gedachtegang van de lezer in: “Ik weet wat u denkt…”; “Nu wilt u graag dat ik…” Hiermee ontneemt Pfeijffer de lezer de mogelijkheidom zelf een mening te vormen. Wat heeft het voor de lezer nog voor nut om kritiek te uiten op misogyne beschrijvingen van de consequent-met-verkleinwoorden-omschreven Clio, en de ronduit matige seks-scenes (waarin onder andere tot tweemaal toe een vagina vergeleken wordt met een lichaamsdeel van een baby)? En het personage Albane, die door moet gaan voor een commentaar op het feminisme maar zover daarvan af ligt dat ze meer lijkt op een gedateerde reddit-meme, is niet veel meer dan rollende ogen en een diepe zucht waard. Aan het einde van de roman is ze, nu verloofd met een van de andere hotelgasten, milder gestemd; met andere woorden: er moest een piemel in. Het is humor van een niveau dat we gewend zijn van edgy internettrollen: bewust tegen politieke-correctheid, verscholen achter het excuus dat het maar een grapje is. Kritiek leveren op de slechte punten van de roman maakt de lezer kwetsbaar voor de tegenwerping dat zij het boek niet begrepen heeft. Ironie is verleidelijk voor de lezer, die graag meelacht met een auteur om te laten zien dat ze in on the joke is. Maar ook hier gaat Pfeijffer aan het eigenlijke probleem voorbij: dit soort grappen bevestigen bestaande machtsverhoudingen. Pfeijffer schrijft zelf: “Dit was geen middelmatige roman, dit was een slechte roman.” Ik vraag me af of het in Pfeijffer is opgekomen gewoon een goede roman te schrijven. Want zelf benoemen dat een roman slecht is, maakt het geen goede roman, Ilja.

Als dit een schets is van de huidige problemen van Europa, dan is de grootste moderne tragedie wellicht dat Pfeijffer geen originele ideeën heeft. De auteur slash grote denker filosofeert erop los, maar komt niet tot oplossingen voor de geschetste problemen. Als je alles met ironie bekritiseerd hebt, waar kan je nog heen? Als Pfeijffer de ultieme Europeaan is, is cynisme dan alles wat ons als Europeanen rest? Zijn we als continent gedoemd de Statler en Waldorf van de wereld te worden, altijd maar commentaar leverend op wat de rest van de wereldbevolking probeert?

Gelukkig hoeven we ons voor een antwoord niet tot Pfeijffer te richten; laat hem maar kniezen over zijn verlies van de Libris Literatuurprijs. Er zijn nog mensen die oprecht de problemen van het heden durven aan te snijden: iemand als klimaatactiviste Greta Thunberg, die afgelopen maand een zeereis van 3000 mijl maakte op een door zonne-energie aangedreven boot in naam van duurzaamheid; iemand als Pia Klemp, die met haar schip duizenden migranten gered heeft op de Middellandse Zee; of, dichter bij huis, iemand als mensenrechtenactivist Jerry Afriyie, die actievoert tegen racisme en discriminatie. Noem me naïef, maar in een wereld waarin we dagelijks strijden tegen grote systematische problemen – klimaatverandering, racisme, seksisme, discriminatie, ongelijke verdeling van rijkdom – is dat waar ik mijn heil zoek: geen cynisme, maar activisme.

Door: Lieske Huits @LieskeHuits

DEEL


Lees ook